Het verhaal van Lina:

‘Ik was geen mens, ik was een slaaf’

De Pakistaanse Lina (16) werd als kind door haar vader meegegeven aan vrienden in Nederland. Deze ‘vrienden’ gebruikten haar negen jaar lang als huisslaaf.

‘Ik was zes toen mijn vader me aan een vreemde mevrouw mee gaf. Je gaat naar Europa, zei hij. Deze mevrouw kan je daar een goede toekomst geven. Wat was ik blij, een goede toekomst! Maar eenmaal in Nederland was alles anders dan ze me hadden beloofd. Ik mocht niet naar school, werd opgesloten, moest voor het huishouden zorgen, eten voor de familie koken. En niemand noemde me bij mijn eigen naam. Als ze me nodig hadden, riepen ze “varken”. Als ik iets niet goed deed, sleurden ze me aan mijn haren mee. Ik kreeg klappen en er werd op me gescholden. Het was vreselijk. Gewone kleren mocht ik niet aan, ik moest de hele dag in mijn pyjama lopen. Toen ik later naar buiten mocht om boodschappen te doen, moest ik een trainingspak dragen.

Mijn vader belde eens in de zoveel tijd om te vragen of de familie het geld al had overgemaakt. Hoe het met mij ging, vroeg hij niet. Met mijn moeder had ik geen contact; zij wist niet eens waar ik was. Ik wilde heel graag weg, weg uit dat huis, weg bij die familie, maar ik durfde niet. Als je wegloopt, maken we je dood, zeiden ze. Niemand zal je missen. Die woorden, ze deden zo’n pijn, want ik wist dat het waar was.

Iedere nacht huilde ik en droomde ik van een beter leven. Een eigen leven met normale dingen en mijn eigen keuzes. Ik begreep het niet: waarom mocht ik niet naar school? Waarom mocht ik niet achter de computer? Waarom mocht ik geen vrienden maken? Waarom had ik geen mensen die me knuffelden? Waarom toch? Ik wilde, net als de andere kinderen in het gezin, leuke dingen doen. Maar niemand gunde me dat, niemand gaf om me. Niemand vroeg me of het goed met me ging. Als ik ergens mee naartoe mocht, zeiden ze tegen me: Je moet niet denken dat je nu een mens bent. Zo dachten ze over me: ik was geen mens, ik was een slaaf.

Op mijn vijftiende kon ik niet meer. Iedereen had een normaal leven, behalve ik. Op een nacht deed ik de deur open en begon ik te rennen. Vier weken lang zwierf ik op straat. Ik sliep in Moskees, soms kreeg ik wat te eten, soms niet. Het was koud, ik had honger en ik wist niet waar ik naartoe kon. Maar ik had wel rust. Niemand die tegen me schreeuwde, niemand die me vertelde wat ik moest doen. Ik was geen slaaf meer, en dat was een grote bevrijding.

Op een dag kwam ik een vrouw tegen. “Wil je me helpen?”, vroeg ik, en ik vertelde haar mijn verhaal. Ze hielp me. Ik mocht bij haar thuis eten, douchen en slapen. Samen zijn we naar het Pakistaanse consulaat gegaan, maar daar hadden ze niets van me, geen papieren, geen naam. Ik bestond niet in Nederland. Twee maanden ben ik bij die vrouw gebleven en toen was er een plekje voor me bij Fier.

Het was wennen toen ik bij Fier kwam. Ik wilde alles gaan schoonmaken, maar dat hoefde niet, want iedereen helpt hier mee in het huishouden. We worden hier allemaal gelijk behandeld; niemand is beter dan de rest. En ik word bij mijn echte naam genoemd. Geen varken meer. Daar ben ik zo blij om. Ik voel nu dat ik ook een mens ben en dat iemand me kent. Ze zien dat ik er ben, ze zien geen dier, geen slaaf.’

De verhalen van slachtoffers in onze campagne zijn waargebeurd. In onze campagne uitingen kiezen we er bewust voor om de identiteit van deze meisjes, jongens, vrouwen en mannen te beschermen. Daarom gebruiken we illustraties en geen foto’s.

Meer weten over mensenhandel? Kijk dan op www.ckm-fier.nl en www.mensenhandelweb.nl